Een schrijnend contrast

Een schrijnend contrast

Als lezer van deze blogs weet u dat het middel veel erger kan zijn dan de kwaal. Misschien omdat u dat zelf is overkomen, en anders omdat u de verhalen kent. Zelf spreek ik uit ervaring. Op dit moment gebruik ik al bijna zes jaar geen psychofarmaca meer. Toch ben ik er nog steeds niet van los door de open zenuw die ik kreeg voor alles wat met psychofarmaca samenhangt. Zo kwam het dat ik in oktober 2022 een pijnlijke ontdekking deed. Op het allerhoogste niveau blijkt de gezondheidszorg met twee maten te meten. Daarover gaat dit blog. Over dat schrijnende contrast.

Op een dag in 2007 schreef mijn huisarts een recept voor het antidepressivum Nortrilen. Niet omdat ik depressief was, zeker niet, maar omdat ik vroeg of zij een hulpmiddel wist bij stoppen met roken. Ik was 47 en had nooit eerder een psychofarmacon gebruikt. Een kleine drie weken later verwees dezelfde huisarts me naar de spoedeisende psychiatrie, waar een psychose NAO (niet anders omschreven) werd vastgesteld. Ik mocht naar huis, naar mijn drie tieners, want de wanen waren niet zodanig dat ik gevaar opleverde voor mijzelf of voor mijn omgeving. Later die middag belde mijn huisarts: in opdracht van de psychiater gaf ze nog even door dat ik met de Nortrilen moest stoppen. Was dat nou maar alles geweest! Had nou maar even afgewacht wat het effect van stoppen zou zijn! Maar in plaats daarvan was ik door de psychiater naar huis gestuurd met een recept voor het antipsychoticum olanzapine (Zyprexa). Na twee maanden olanzapine begon ik depressief te worden. Sinds 2017 weet ik dat olanzapine als vaak voorkomende bijwerking depressie heeft (10%, oplopend tot 18%, drugs.com). Maar de psychiater, die verantwoordelijk voor mij was wist dat niet. In plaats van de olanzapine af te bouwen en te stoppen, besloot ze, naast de olanzapine, antidepressiva en een stemmingsstabilisator in te zetten. Niets hielp.

Een jaar nadat mijn huisarts de Nortrilen had voorgeschreven was ik verworden tot een onherkenbaar depressief persoon en veranderd in een vaste cliënt van de ambulante SGGZ. Omdat ‘mijn’ instelling zich geen raad wist met de depressiviteit, werd ik naar een andere instelling verwezen met de vraag om advies. Die andere instelling velde, tijdens een eenmalig  consult, het vonnis: ik kreeg een label. Met als bijbehorende straf, door ‘mijn’ instelling ten uitvoer gebracht: levenslange medicatie. Na tien jaren ben ik door hulp van buitenaf uit die dodencel ontsnapt.

Op een dag in 2017 werd ik door een gelukkig toeval wakker geroepen. Iemand - een engel  - had me ingelicht over het effect van roken (!) op dopamine. Vervolgens vroeg ik me in een helder moment af, of ook de olanzapine die ik al zo lang slikte effect kon hebben op dopamine. Nieuwsgierig begon ik voor het eerst op olanzapine te googelen. Aanvankelijk in het Nederlands, wat bedroevend weinig informatie opleverde, daarna nog uitsluitend in het Engels. Al snel ontdekte ik dat mijn depressiviteit door de olanzapine kon zijn veroorzaakt. En ja hoor! Twee dagen na het op eigen initiatief staken van de medicatie verdween de depressiviteit als sneeuw voor de zon.

Al die jaren had ik nooit onderzoek gedaan naar de diagnose of de medicatie, omdat ik artsen vertrouwde en in hun oordeel geloofde. Nooit twijfelde ik aan de noodzaak van psychofarmaca. Dat kwam misschien ook dóór de medicatie. Daardoor was ik immers al na een jaar van een slanke moeder met een brede belangstelling veranderd in een zeven kilo zwaarder, terneergeslagen mens zonder initiatief, dat nergens meer van kon genieten.

Na enkele uren googelen in 2017 was dus mijn kennis over de oorzaak van mijn ‘recidiverende depressie, ernstig’ groter dan de kennis van de Nederlandse psychiater. Dat heeft alles te maken met het heilige geloof van psychiaters in de onschuld van medicatie. De beide psychiaters die ik, toen ik al geen cliënt meer was, sprak, wilden in ieder geval niets horen over het feit dat psychiatrische medicatie mij ziek had gemaakt en ziek had gehouden. Mij werd de mond gesnoerd. De bewijzen die ik wilde laten lezen werden van tafel geveegd als ‘onzin van internet’. Veel psychiaters geloven heilig in medicatie. Pillen zijn de kern van hun religie. Streng gelovige psychiaters weigeren te twijfelen aan de heilige kracht van hun pillen. De cliënt die zelf begint te twijfelen aan nut en noodzaak van psychofarmaca, wordt door zo’n fundamentalistische psychiater als een ketter beschouwd en nog net niet als een afvallige in de ban gedaan. Of toch?

Ik werd wel degelijk in de ban gedaan door een psychiater. Deze mevrouw had, in het jaar voordat ik met de medicatie stopte, met overtuiging verkondigd dat ik mijn leven lang pillen zou moeten slikken. Zij was daar heel stellig over. Daardoor wist ik intuïtief dat ik van haar geen enkele steun of begeleiding bij het stoppen kon verwachten. Twee weken nadat ik op eigen initiatief met de psychofarmaca gestopt was, bleek mijn intuïtie correct. Ik had een afspraak gemaakt vanwege de slapeloosheid die direct na het staken optrad. Mijn eigen remedie (melatonine) hielp niet. Om 04.00 uur lag ik nog klaarwakker in bed omdat het brein na tien jaren antipsychotica niet meer zelf in slaap kan vallen. Toen ik deze psychiater vertelde dat ik met het antipsychoticum was gestopt, foeterde ze me uit, weigerde me in verband met de slapeloosheid een recept voor langer dan vier dagen voor te schrijven en wees me de deur. Ze ging me uitschrijven omdat ik gestopt was met het antipsychoticum. Aldus geschiedde. Ik was als een afvallige ketter in de ban gedaan.

Overigens ontdekte ik pas twee maanden nadat ik op eigen initiatief met de psychofarmaca was gestopt het bestaan van taperingstrips. Maar of die de ernst en de duur van de onttrekkingsverschijnselen hadden verminderd? In totaal heb ik, totdat ik op eigen initiatief stopte, tien jaren en twee maanden olanzapine gebruikt. Meestentijds in een dosering van 5 mg; de laatste dosering, gedurende het jaar voordat ik stopte, was 2,5 mg. Nadat ik wijzer was geworden, wilde ik zo snel mogelijk van die troep af. Daarom heb ik maar kort afgebouwd, gedurende twee weken. Na elke vier dagen halveerde ik zelf de tabletten. De onttrekkingsverschijnselen ontstonden twee dagen nadat ik volledig met de olanzapine was gestopt.

De slapeloosheid hield anderhalf jaar aan. Nadat ik van de psychiater nul op het rekest had gekregen, vroeg ik mijn huisarts om advies. Dat was nog dezelfde huisarts die mij tien jaren eerder de Nortrilen had voorgeschreven. Zij wist wel een remedie voor mijn slapeloosheid: Remeron. Ik vroeg ‘Wat is dat?’, waarop ze zei: ‘een antidepressivum.’ Nou vraag ik je! Ze zou me gewoon opnieuw in de ellende hebben gestort! Gelukkig was mijn kennis ondertussen groter dan de hare, waardoor ik het antidepressivum kon weigeren. Daarop schreef ze iets onschuldigs voor, dat ik anderhalf jaar zes avonden per week heb gebruikt (het antihistaminicum promethazine); één keer per week gebruikte ik een echt slaapmiddel.

Naast de slapeloosheid had ik de eerste weken last van hoofdpijn en duizeligheid; en een grieperig gevoel zonder koorts.

Voor wat betreft gewichtsverlies: ik viel onbedoeld 16 kilo af in dertien weken. Dat kwam omdat mijn metabolisme, dat jarenlang door olanzapine geremd geweest, op hol was geslagen. Op het dieptepunt woog ik vijf kilo minder dan in de gezonde tijden van voor de psychofarmaca. Krachteloos, koud en trillerig zat ik op de bank. Omdat ik in die periode ook enorm angstig was (anxiety is eveneens een onttrekkingsverschijnsel) was ik bang dat het afvallen, behalve door het staken van de psychofarmaca, tegelijkertijd door iets anders werd veroorzaakt. Ook had ik in die periode enkele keren per dag diarree. De internist die mij grondig onderzocht concludeerde tot mijn opluchting ‘Gewichtsverlies zonder alarmsymptomen, meest waarschijnlijk bij staken van Zyprexa’. Dit was de enige keer dat een specialist een onttrekkingssymptoom als zodanig herkend en benoemd heeft. Dat komt omdat artsen bekend zijn met gewichtstoename als bijwerking van olanzapine, waardoor afvallen na staken daarvan logisch is. Van andere onttrekkingsverschijnselen weten verreweg de meeste Nederlandse artsen niets. De volgende episode is daarvan een illustratie.

Twee dagen na het staken van de olanzapine kreeg ik tinnitus (oorsuizen) in diverse vormen zoals: een scherpe hoge suis, een tikkend geluid als van een horloge, een brom, en zelfs een dusdanig geluid dat ik mij afvroeg, ‘waar zijn ze dan in de nacht aan het heien?’ Een half jaar na het ontstaan van de tinnitus is mijn gehoor onderzocht door een KNO-arts. Toen ik haar vroeg of de tinnitus verband kon houden met het staken van Zyprexa, ontkende ze dat. Ze zei me dat de tinnitus was ontstaan doordat mijn brein gehoorverlies zou compenseren. Dat was nonsens. Want in haar brief schreef ze dat mijn gehoor normaal was. In oktober 2022 ontdekte ik op internet het wetenschappelijke artikel (2020) waarin ook tinnitus als onttrekkingsverschijnsel wordt beschreven. Deze tinnitus is, in mijn geval, een persistent onttrekkingssymptoom: ik heb nog steeds last van oorsuizen. Al bijna zes jaar.

Ook heb ik nog steeds last van een ongewone moeheid na de lunch. Dan kan ik niet eens meer zitten; ik moet dan tenminste een half uurtje plat liggen, met dat zware hoofd dat ik niet meer overeind kan houden. Te moe om TV te kijken of om te lezen.

Voor wat betreft de emotionele instabiliteit die ontstaat na het staken van psychofarmaca noemde ik al de enorme angst, in mijn geval voor enge ziektes. Verder had ik in de eerste twee jaar een aantal woedeaanvallen. Dat komt doordat het vermogen om impulsen te controleren bij mij in die eerste jaren blijkbaar zo goed als plat lag. De meest huiveringwekkende illustratie daarvan is de impulsieve zelfdodingspoging, tien maanden na het staken van de psychofarmaca. Na een woedeaanval in mijn eigen huis jegens twee bezoekers die vervolgens vertrokken, rende ik wanhopig en verlaten de trap op om alle pillen te verzamelen die ik in huis had, maalde die fijn in de vijzel en nam ze in met wat pap. Door een gelukkige omstandigheid werd ik op tijd gevonden en met de ambulance naar de spoedeisende hulp gebracht.

In de tien jaren dat ik olanzapine  gebruikte had  ik regelmatig gedachten aan zelfdoding, maar ik deed het nooit. Na het staken van de olanzapine waren die gedachten direct verdwenen, maar deed ik het wel, in een ongecontroleerde impuls. Wat een ellende.

Op dit moment is het bijna zes jaar geleden dat ik met de psychofarmaca stopte. Terugkijkend kan ik concluderen dat ik daarvan vier jaar niet mezelf was. Na het staken was ik in gezelschap, dat ik vaker dan ooit zocht, een uitgesproken uitbundige versie van mezelf. Nu ben ik alweer geruime tijd zoals ik voor de psychofarmaca was: rustig en graag op mezelf.

Na de ontdekking dat mijn depressiviteit mogelijk iatrogeen (veroorzaakt door medische handelingen) was, begon ik, nog gedempt door de olanzapine, boos te worden. Toen ik twee weken later met de psychofarmaca was gestopt en de depressiviteit daadwerkelijk verdwenen was, werd ik echt boos. Nog veel bozer werd ik toen ik mijn dossiers had opgevraagd en catastrofale fouten ontdekte. De grootste fout - het onjuiste label - was te wijten aan de fors onzorgvuldige werkwijze bij de andere instelling waarnaar ik in 2008, voor een eenmalig consult,  verwezen was. Volgens het  protocol van de leidinggevend psychiater daar dienden zijn assistenten binnen een uur tot een diagnose te komen. Aldus werd ik door een eerstejaars assistent in opleiding tot psychiater van een onjuist label voorzien. Een label met levenslange implicaties. Op basis van een gesprek van drie kwartier. Zonder dossieronderzoek, terwijl vaststaat dat dat mogelijk was. Vlak voordat de aios mij ter afsluiting van het consult de diagnose mededeelde, was hij vijf minuten voor telefonisch overleg met zijn supervisor de kamer uit geweest. De supervisor had mij niet gesproken.

Mijn GGZ-instelling nam de elders gestelde diagnose om onbegrijpelijke redenen over. Onbegrijpelijk, omdat ‘mijn’ instelling al in september 2007 had genoteerd dat er voor die diagnose geen aanwijzingen waren. Doordat mijn psychiater het verkeerde label van de andere instelling klakkeloos overnam, werd de juiste diagnose gemist: een autisme spectrum stoornis (ASS). Het werd uiteindelijk in 2017 bij mij vastgesteld, nadat ik zelf op onderzoek daarnaar had aangedrongen. Maar een ‘stoornis’ is autisme wat mij betreft niet. Het  is gewoon een variant van mens zijn.

Ik vind het fijn dat ik nu weet waardoor ik anders ben.

Het Autisme Magazine meldde in de Zomeruitgave van 2020 dat, van de ruim duizend onderzochte deelnemers met autisme, bij maar liefst 47 procent van de vrouwen eerder minimaal één andere diagnose was vastgesteld die later onjuist bleek. Zo ook bij mij.

Overigens ging het in mijn geval al bij de huisarts mis. Zij had mij, om redenen die hier te ver voeren, zo wie zo geen antidepressivum mogen voorschrijven. Dus ook geen Nortrilen, dat als indicatie tevens stoppen met roken heeft. Als de huisarts zorgvuldig had gehandeld, dan was mij diepe ellende bespaard gebleven.

Al die jaren had ik in goed vertrouwen een vanzelfsprekend geloof gehad in de bevindingen van artsen. Nu geloof ik niet meer in zoveel en al helemaal niet in de opvatting dat onze gezondheidszorg altijd goed voor ons zorgt. Ik weet nu dat mijn geloof in de gezondheidszorg een illusie was. Die illusie ging in rook op toen bleek dat de zorg me, onterecht, jarenlang psychofarmaca liet slikken; toen bleek dat de zorg me had opgezadeld met een feitelijk onjuiste diagnose; toen bleek dat de zorg elke mogelijkheid aangrijpt om gemaakte fouten niet te erkennen. Ik was een illusie armer. En met het verloren gaan van dat geloof in de gezondheidszorg, verdween ook het vertrouwen daarin. Mijn vertrouwen in de gezondheidszorg is weg. Kwam daar iets voor in de plaats? Juist ja, wantrouwen. Dat leverde toch ook iets op: een scherpe blik voor onregelmatigheden in de gezondheidszorg. Daardoor ontdekte ik in oktober 2022 een schrijnend contrast.

Nog geen twee jaar na het uitbreken van de corona pandemie werd het voor huisartsen mogelijk om gezondheidsklachten ten gevolge van long-covid onder één noemer te brengen. Daartoe dient de nieuwe ICPC code R83.04 Langdurige COVID-19.  (ICPC staat voor ‘International Classification of Primary Care’. Dat is de standaard voor het coderen en classificeren van klachten, symptomen en aandoeningen in de huisartsenzorg. Het Nederlands Huisartsen Genootschap vertaalt de internationale lijst naar de Nederlandse huisartsenzorg.)

Het evidente voordeel van de nieuwe code R83.04 is dat de zeer uiteenlopende klachten van long-covid door de huisarts aan die ene oorzaak kunnen worden gekoppeld. Het medisch dossier toont dan in één oogopslag welke klachten de patiënt met long-covid heeft. Deze manier van registreren heeft daarnaast als groot voordeel dat het onderzoek vergemakkelijkt naar langdurige covid. De huisarts verzamelt, systematisch, alle klachten, waarna de gegevens worden doorgegeven en verwerkt.

Tot op heden heeft de (Nederlandse) huisarts daarentegen niet de mogelijkheid om gezondheidsklachten ten gevolge van het staken van psychofarmaca onder één noemer te brengen. Daarvoor bestaat immers géén ICPC code. Als gevolg daarvan staan de zeer uiteenlopende klachten die kenmerkend zijn voor het Withdrawal Syndrome (klachten ontstaan na staken psychofarmaca, zowel kortdurend als blijvend) als op zichzelf staande episoden in het medisch dossier. Symptomen zoals ‘afvallen’ of ‘tinnitus’ zijn, als die direct na staken van psychofarmaca ontstonden, onttrekkingsverschijnselen. Totaal verschillende klachten, echter met één oorzaak. Als de patiënt er mee naar de huisarts gaat, dan belanden deze symptomen lukraak in het dossier. Het zou veel beter zijn als de huisarts ook deze symptomen onder één noemer kan brengen door middel van een nieuwe ICPC code Onttrekkingssyndroom Psychofarmaca. Dan toont het medisch dossier in één oogopslag dat bepaalde gezondheidsklachten onttrekkingsverschijnselen zijn. Dat is nu niet het geval. De waarnemer die de patiënt niet kent en zich aan de hand van de episoden een beeld vormt van diens gezondheid, ziet nu bijvoorbeeld ergens ‘Tinnitus’ staan. De waarnemer zal dan in een flits denken: ‘Oh, die zal dan wel vaak op festivals met keiharde muziek zijn geweest.’ Terwijl …

Ziet u het schrijnende contrast? Als het gaat om langdurige symptomen die ontstaan zijn door een virus, dan stelt de gezondheidszorg alles in het werk om snel zo veel mogelijk kennis te vergaren. Maar als het gaat om langdurige symptomen met een iatrogene oorzaak, namelijk staken van eerder door artsen voorgeschreven psychofarmaca, dan kijkt de gezondheidszorg weg. De onwil van de gezondheidszorg om over dit onderwerp te leren is schrijnend. Dat is toch ziek?

Voor long-covid bestaan meerjarige onderzoeksprojecten, ook in Nederland. Daarbij vergemakkelijkt ICPC code R83.04 het verzamelen, doorgeven en verwerken van symptomen van long-covid. Dat is prachtig, want langdurige covid-19 veroorzaakt grote ellende, en zo kan er hopelijk snel meer over duidelijk worden.

Het Onttrekkingssyndroom Psychofarmaca veroorzaakt evenzo grote ellende. Ik was al mijn baan kwijtgeraakt door de bijwerkingen van het antipsychoticum. Maar stel dat ik mijn werk nog had gehad, toen ik met psychofarmaca stopte? Dan was ik wel door de onttrekkingsverschijnselen werkloos geworden. Dan was ik dáárdoor via de ziektewet in de WIA beland. Dat is toch precies dezelfde ellende als de ellende van mensen met Langdurige COVID-19?

Zal de Nederlandse huisarts ooit bijgeschoold worden over onttrekkingsverschijnselen?

Zal de gezondheidszorg ooit, zoals bij langdurige covid-19, via de huisarts systematisch gegevens gaan verzamelen over onttrekkingsverschijnselen na staken van psychofarmaca?

Zal de farmaceutische industrie ooit bereid zijn om cijfers over onttrekkingsverschijnselen in bijsluiters op te nemen?

Zal daartoe ooit de ICPC code Onttrekkingssyndroom Psychofarmaca het licht zien?

Gelooft u het? Dan is er hoop.

 

Veel liefs!

Anita van Bezooijen

Meer artikelen

Waarom mogen deelnemers aan het TEMPO-onderzoek niet weten wat er met ze gaat gebeuren?

Peter C. Groot    24 juli 2025

Patiënten die worden gevraagd om deel te nemen aan het TEMPO-onderzoek naar het afbouwen van antidepressiva krijgen geen duidelijke informatie over wat hen te wachten staat. Daardoor kunnen ze de risico’s van deelname niet goed inschatten. Hierover zijn vragen gesteld aan de Centrale Commissie Mensgebonden onderzoek.

Achtergrond

In Nederland loopt het zogenaamde TEMPO-onderzoek naar afbouw van antidepressiva. Voor de antidepressiva paroxetine en venlafaxine worden hierin twee afbouwschema’s met elkaar vergeleken: een snel ‘conventioneel’ afbouwschema en een ‘geleidelijk’ afbouwschema. Hoe die afbouwschema’s er precies uitzien mag echter niemand van tevoren weten. Dat wordt pas na afloop van het onderzoek bekend gemaakt.

Waarom niemand dit vooraf mag weten is mij een raadsel. Mensen die aan een wetenschappelijk onderzoek meedoen moeten toch immers weten wat er in zo’n onderzoek met ze gaat gebeuren? Hoe kun je anders verantwoord beslissen of je aan zo’n onderzoek wilt meedoen? Toch heeft de Medische Ethische Commissie (METC) die hierover moet oordelen TEMPO goedgekeurd.

Wat mogen we over TEMPO allemaal niet weten?

Om een indruk te geven van wat we allemaal niet mogen weten heb ik het plaatje gemaakt dat bovenaan dit blog staat. Hierop zijn een aantal pagina’s te zien uit het onderzoeksprotocol voor TEMPO, zoals dat door de onderzoekers op een openbare website is geplaatst. Deze website geeft een overzicht van klinische trails die in de Europese Unie (EU) worden uitgevoerd. De vele zwart lakkingen maken in één oogopslag duidelijk dat veel informatie geheim wordt gehouden.

Om na te gaan of het gebruikelijk is dat dit gebeurt, heb ik het protocol bekeken van een andere grote Nederlandse wetenschappelijke studie naar afbouwen: het zogenoemde HAMLETT-onderzoek naar stoppen met- en afbouwen van antipsychotica. Ook dit onderzoek wordt, net als TEMPO, uit publieke middellen door ZonMw gesubsidieerd. Ik heb het protocol doorgenomen en kan daarin geen enkele zwart lakking vinden. Wie dit zelf wil controleren kan het protocol van TEMPO en van HAMLETT gemakkelijk downloaden.

Vragen hierover aan de Centrale Commissie Mens gebonden Onderzoek (CCMO)

Om te begrijpen hoe het met de geheimhouding in het TEMPO onderzoek nu precies zit heb ik samen met Jim van Os, Myriam van de Lagemaat, Eddy Hekman, Lieuwkje Hekman, Inge Bisschops, Daniël Meijer, Ewout Kattouw en Harry Leurink vragen gesteld aan de landelijke commissie die toeziet op alle Medisch Ethische Commissies (METC’s) in Nederland. In een brief aan de CCMO leggen we uit waarom we deze vragen zo belangrijk vinden. In de eerste plaats voor mensen aan wie word gevraagd of ze aan het TEMPO onderzoek mee willen gaan doen. Maar natuurlijk ook voor mensen die op dit moment al aan het TEMPO onderzoek meedoen.

Hieronder volgt de volledige tekst van onze, niet heel lange, brief. De vragen die we stellen staan helemaal aan het eind. We zijn heel benieuwd naar de antwoorden. Zodra die er zijn wil ik daar in een nieuw blog graag opnieuw aandacht aan besteden.

Brief aan de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) van 15 juli 2025

Onderwerp: Vragen over geheimhouding in het TEMPO-onderzoek

Geachte Commissie,

De Medisch Ethische Commissie van Amsterdam UMC heeft het TEMPO onderzoek goedgekeurd. In dit onderzoek worden de antidepressiva venlafaxine of paroxetine op twee verschillende manieren afgebouwd: volgens een ‘conventionele’, of volgens een (meer) ‘geleidelijke’ dosisreductie. Wat dit concreet betekent – in hoeveel stappen en met welke doseringen zal worden afgebouwd – wordt echter niet duidelijk gemaakt. Patiënten krijgen dit pas na afloop van het onderzoek te horen. Volgens de onderzoekers is deze geheimhouding nodig om te voorkomen dat deelnemers worden beïnvloed wanneer ze dit wel weten, waardoor TEMPO volgens hen zou kunnen mislukken.

Geheimhouding is een probleem

Deze geheimhouding van de precieze afbouwschema’s – waarbij deelnemers 50% kans hebben op een ‘conventionele’ en 50% kans op een ‘geleidelijke’ dosisreductie – levert voor patiënten echter wel een probleem op. Voor een weloverwogen beslissing over deelname moeten zij namelijk zélf een inschatting kunnen maken van de risico’s van deelname. Daarvoor is het essentieel dat zij weten hoe hun antidepressivum tijdens het onderzoek mogelijk zal worden afgebouwd. Alleen dan kunnen ze dit vergelijken met hun huidige dosering, en met doseringen die zij in het verleden misschien ook hebben gebruikt. Bijvoorbeeld bij eerdere pogingen om af te bouwen ― wat veel patiënten die langdurig antidepressiva gebruiken al hebben geprobeerd, en waar hun huisarts of psychiater niet altijd van op de hoogte is.

We geven een concreet voorbeeld: een patiënt heeft in het verleden geprobeerd om met paroxetine te stoppen. Hij gebruikte tabletten van 10 mg, die hij in vier zo gelijk mogelijke delen van 2,5 mg brak, en probeerde hiermee vanaf 20 mg af te bouwen in 8 stappen van 2,5 mg. Deze manier van afbouwen leidde bij hem tot ernstige klachten, waardoor het afbouwen niet lukte en hij paroxetine nog jaren is blijven gebruiken.

In de huidige richtlijn voor het afbouwen van antidepressiva — het Multidisciplinair Document ‘Afbouwen SSRI’s en SNRI’s’ uit 2018 — staat in Tabel 2 echter het advies om paroxetine in stappen van 10 mg af te bouwen. [uitleg hierover gaf ik in een eerder blog] Hoe kan deze patiënt nu weten of het afbouwschema in de ‘conventionele’ arm van TEMPO geleidelijker zal zijn dan tijdens zijn eerdere mislukte afbouwpoging?

Onze motivatie voor het stellen van deze belangrijke vraag is dat een aantal van ons in het verleden op verschillende manieren te maken heeft gehad met soms zeer ernstige problemen die kunnen ontstaan, wanneer medicijnen zoals antidepressiva niet op een verantwoorde manier en niet op maat kunnen worden afgebouwd. Het voorbeeld van de patiënt die al eerder tevergeefs had geprobeerd om af te bouwen is een goed  voorbeeld van problemen zoals die zich in de dagelijkse praktijk helaas nog iedere dag voordoen.

Door geheimhouding van de afbouwschema’s kunnen patiënten zulke belangrijke eerdere ervaringen niet gebruiken om een inschatting te maken van de risico’s die deelname aan het TEMPO onderzoek met zich mee kan brengen. Dit roept bij ons de vraag op: is het werkelijk de bedoeling dat deelnemers aan een wetenschappelijk onderzoek zulke cruciale informatie niet krijgen wanneer ze wordt gevraagd om daaraan mee te doen?

We nemen aan dat deze zaken binnen de METC uitgebreid zijn besproken. Dit brengt ons tot de volgende vragen, met het verzoek aan u als toetsende Commissie om die te beantwoorden:

Vragen voor de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek

Wat heeft de METC in haar goedkeuring precies besloten over het geheimhouden tot na het onderzoek van de precieze afbouwschema’s die in het TEMPO onderzoek worden gebruikt?

Op grond van welke bepalingen in de Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) en de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) heeft de commissie hiervoor toestemming verleend?

Hoe kunnen patiënten, wanneer hen niet wordt verteld hoe ze mogelijk zullen gaan afbouwen, volgens de Commissie toch een goede inschatting maken van de veiligheidsrisico’s die deelname aan het TEMPO-onderzoek met zich meebrengt?

 

Over de auteur

Dr. Peter C. Groot werkt als onderzoeker en ervaringsdeskundige bij het User Research Centre van UMC Utrecht in Nederland, waar hij zich bezighoudt met de ontwikkeling van en het onderzoek naar afbouwen van medicijnen die onttrekking kunnen veroorzaken. Zijn doel is om veilig en op maat afbouwen van deze medicijnen praktisch mogelijk te maken. Als erkenning voor zijn werk werd hij in 2021 benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Dr. Peter C. Groot is vanaf 2010 betrokken bij ontwikkeling van en het onderzoek naar het gebruik van zogenaamde taperingstrips, maar niet bij productie van deze afbouwmedicatie, of bij de verstrekking daarvan aan patiënten, waarvoor hij geen enkele vergoeding krijgt. Het User Research Centre van UMC Utrecht heeft een educatieve subsidie ontvangen van de Regenboog Apotheek, die vanaf 2013 op verzoek van patiënten ― de Stichting Cinderella ― taperingstrips is gaan maken. De stichting Cinderella is een paar jaar geleden opgeheven, na de dood van haar oprichter, emeritus professor Dick van Bekkum, en enkele bestuursleden.

De lobby achter ADHD-medicatie voor volwassenen

De verstrekking van ADHD-middelen is sinds 2006 verviervoudigd, aldus recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Vooral bij vrouwen en 25plussers is sprake van een sterke stijging. Het lijkt een echo van 11 jaar geleden, toen de Gezondheidsraad concludeerde dat het aantal kinderen dat ADHD-medicatie kreeg in korte tijd verviervoudigd was. Na dat rapport nam het gebruik door jeugdigen tijdelijk wat af, maar steeg het onder volwassenen.

Afgekeurd

Het is lang niet iedereen bekend dat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en andere registratieautoriteiten het meest gebruikte ADHD-middel, methylfenidaat, lange tijd afkeurden voor de volwassen doelgroep, vanwege de beperkte werkzaamheid en de risico’s op hartklachten, angst, agressie en afhankelijkheid. De farmacie en een aantal door hen betaalde wetenschappers hebben vervolgens echter sterk gelobbyd voor registratie van methylfenidaat voor volwassenen en, parallel daaraan, voor verruiming van de definitie van ADHD zodat ook volwassenen erin zouden passen. ADHD was aanvankelijk namelijk alleen een classificatie voor kinderen.

Bril en sleutels kwijt

In 2013 verscheen de vijfde editie van het Diagnostic and Statistical manual of Mental Disorders (DSM-5), het handboek waarin alle stoornissen gedefinieerd staan. Dit boek krijgt om de zoveel tijd een update op basis van overleg en consensus tussen professionals met kennis over de verschillende stoorniscategorieën. Van de DSM-5 werkgroepleden die de nieuwe definitie van ADHD bepaalden had 78% banden met de industrie. Dit heeft waarschijnlijk bijgedragen aan de keus om de oorspronkelijk voor kinderen geformuleerde criteria naar volwassenen toe te schrijven. Na ‘heeft vaak moeite met het organiseren van taken en activiteiten’ staat nu bijvoorbeeld ‘haalt deadlines vaak niet’. En het criterium ‘raakt vaak dingen kwijt die nodig zijn voor taken of bezigheden’ is in de DSM-5 aangevuld met: ‘zoals portemonnee, sleutels, bril, mobiele telefoon’. Er staan kortom voorbeelden in de omschrijving van ADHD waar veel volwassenen zich in zullen herkennen. Bovendien besloot de ADHD-werkgroep dat volwassenen aan minder criteria dan kinderen hoeven te voldoen voor een ADHD-classificatie.

Bijzondere aanbevelingen

De farmacie en een aantal wetenschappers lobbyden daarnaast voor registratie van methylfenidaat voor volwassenen. Het farmaceutisch bedrijf Janssen sponsorde tussen 2003 en 2009 bijeenkomsten van 27 psychiaters uit achttien Europese landen die zich verenigden in The European Network ADHD. Zeventien van hen kregen al geld van de industrie voor onderzoek en lezingen. Het is dan ook niet heel verbazingwekkend dat de conclusie in hun in 2010 gepubliceerde Consensus Statement is dat er sprake is van ernstige onderdiagnostiek en onderbehandeling van ADHD bij volwassenen. Wel bijzonder is dat het netwerk het door de registratieautoriteiten afgekeurde middel methylfenidaat als eerstekeuzebehandeling voor ADHD bij volwassenen adviseerde. Nog bijzonderder is dat de Richtlijn ADHD bij volwassenen – geïnitieerd door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) in 2015 – het afgekeurde middel tevens aanbeval. De richtlijn doet deze aanbeveling op basis van dezelfde studies die de registratieautoriteiten ‘van onvoldoende kwaliteit’ achtten!

Rug tegen muur

Door het wijdverspreide Consensus Statement en de Richtlijn van de NVvP verstrekten steeds meer psychiaters methylfenidaat off-label aan volwassenen. Off-label betekent het voorschrijven van medicijnen voor andere ziekten of doelgroepen dan waar ze voor zijn goedgekeurd. Dit was voor het CBG reden om – met de rug tegen de muur – methylfenidaat toch goed te keuren voor volwassenen. Niet vanwege nieuwe geruststellende onderzoeksgegevens, want die waren (en zijn) er niet, maar omdat hierdoor tenminste voorwaarden aan het voorschrijven konden worden gesteld, zoals dat dit door een psychiater dient te gebeuren die heeft vastgesteld dat de ADHD al op kinderleeftijd aanwezig was, dat het cardiovasculaire risico in kaart wordt gebracht en dat er regelmatige medicatiecontroles zijn.

Voorlichting

Volwassenen kunnen de beste behandelkeuzes voor zichzelf maken als ze goed voorgelicht zijn. Daarbij hoort ook informatie over het feit dat onafhankelijke autoriteiten die de werkzaamheid en veiligheid van medicijnen beoordelen, methylfenidaat afkeurden voor toepassing bij volwassenen wegens beperkte werkzaamheid en serieuze risico’s. De sterke toename van het gebruik van dit middel door deze doelgroep roept de vraag op of men hiervan voldoende op de hoogte is.

 

Over Laura Batstra

Laura Batstra (1973) studeerde in 1997 (cum laude) af in de psychologie. Daarna werkte ze als psycholoog in het Universitair Medisch Centrum Groningen aan verschillende projecten op het gebied van de indirecte patiëntenzorg. Eind 2004 promoveerde zij op het proefschrift ‘Difficult birth, difficult life?’ Daarna werkte ze als behandelend psycholoog in een instelling voor Kinder- en Jeugdpsychiatrie.

Sinds 2010 werkt Batstra als onderzoeker en docent bij de afdeling Orthopedagogiek van de RUG. Daar geeft zij o.a. het vak Psychopathologie Kind en Jeugdigen. In haar onderwijs aan studenten kan zij putten uit haar therapeutische ervaring en haar wetenschappelijke onderzoek. Batstra is als onderzoeker betrokken bij het project Druk & Dwars.

In 2017 verscheen van haar het boek ‘ADHD: macht en misverstanden', waarin ze pleit voor een andere aanpak van adhd-problematiek.

 

Foto door: Reyer Boxem

Lost het gebruik van antidepressiva wel wat op?

Inleiding

Er zijn door de jaren heen veel te hoge verwachtingen geweest van het gebruik van antidepressiva. Veel van deze verwachtingen bleken slechts aannames. Er werd door artsen te weinig geluisterd naar de ervaringen van gebruikers. De informatie vanuit de farmaceutische industrie was leidend.

Antidepressiva kunnen op bepaalde momenten levensreddend zijn maar ze kunnen ook mensen ziek en afhankelijk maken. De bijwerkingen zijn lang gebagatelliseerd. Cliënten werden vaak niet goed geïnformeerd over de voor- en nadelen.

Ik hecht er belang aan om mijn cliënten goed te informeren en hen te helpen om te leren gaan met hun emoties.

 

Ongelijkwaardigheid in de GGZ

Wij zijn opgegroeid met een zorgsysteem dat ontstond in de 19e eeuw. Je had een klacht, je ging naar een arts die daar iets aan gaat doen, waarbij het probleem werd opgelost. Artsen werden als bron van kennis en als autoriteit gezien. Dat is ons zo geleerd en dat leerde de arts zelf ook in zijn opleiding. Er werd gedacht dat depressies en psychoses met pillen konden worden opgelost. Maar deze medicijnen richten zich op symptoombestrijding en doen geen recht aan de complexiteit van psychisch lijden. Deze manier van behandelen maakt mensen klein en afhankelijk. Dat laatste gold eigenlijk ook voor andere werkenden binnen het zorgsysteem: binnen de reguliere GGZ bepaalt de  psychiater het behandelbeleid, je gaat ervan uit dat deze de meeste kennis heeft. Hij zette de lijnen van de behandeling uit en de andere behandelaren voeren deze behandeling uit. Binnen een dergelijk systeem kan je niet spreken van gelijkwaardigheid. Mijn ervaring als verpleegkundige en later als spv was, dat je met kritische vragen en opmerkingen over bijvoorbeeld schizofrenie, of over de werking van medicatie snel als lastig werd gezien. Ik merkte dat, als ik vragen stelde over de werking van een medicijn, de psychiaters er vaak geen adequaat antwoord op hadden. Televisieprogramma’s als Radar, die de rol van de farmaceutische industrie kritisch onder de loep namen, kritische krantenberichten of berichten op sociale media werden in de praktijk gebagatelliseerd. We hebben met zijn allen een cultuur gecreëerd waarin we het gewoon vinden dat we symptomen bestrijden met pillen, niet structureel naar de oorzaken en context van klachten kijken, en niet structureel cliënten een behandeling, training aanbieden om met emoties om te leren gaan. Nu zou ik zeggen, eerst behandelen, en pas wanneer dat niet helpt, kan je altijd nog aan symptoombestrijding doen.

 

Langdurig voorschrijven

Achteraf denk ik dat het langdurig voorschrijven van psychofarmaca er aan bijgedragen heeft dat veel mensen weinig opknapten en dat er nu nog zoveel mensen met chronische klachten rondlopen. Het is spijtig, maar ik denk dat we, ondanks alle goede bedoelingen, daarmee lange wachtlijsten (rond de 80.000 wachtenden) hebben gecreëerd.

Het was voor de millenium heel normaal dat artsen snoepreisjes aangeboden kregen. Dat is nu gelukkig verboden. Ik herinner mij een boottochtje met onze afdeling toen, wij op de boot een diner aangeboden kregen, betaald door een farmaceutisch bedrijf. Er werd een praatje gehouden over Exelon, het veelvuldig voorschrijven van dat medicijn was het doel van dat bedrijf.

Ik denk dat er binnen de GGZ een andere manier van denken moet komen. Als we immers blijven doen wat we deden, krijgen we wat we kregen.

 

De nieuwe GGZ

Het laatste decennium is er gelukkig een kentering merkbaar. De opvatting dat pillen mensen beter maken wordt steeds vaker in twijfel getrokken. Mensen moeten uiteindelijk zelf verantwoordelijkheid voor hun leven terugpakken door zelf iets aan het probleem te doen en indien nodig daarbij geholpen worden. Als ze vastgelopen zijn en niet weten waar ze moeten beginnen, rechtvaardigt dat een hulpvraag.

Er is al een beweging in gang gezet, bekend onder de naam “De Nieuwe GGZ”. Hierbij leer je om te gaan met klachten, zelf de regie te voeren over de behandeling en ontdekken hoe je ondanks je symptomen toch een zinvol leven kunt leiden.

Deze verandering van focus betekent wel een flinke cultuurverandering binnen de GGZ. Maar daarvoor is het wel hoog tijd. Ook veel GGZ-medewerkers ervaren een toenemende ontevredenheid om binnen dat systeem te werken. Maar een cultuurverandering verloopt traag en vraagt geduld. Meerdere hulpverleners gaan werken als ZZP-er, of zoeken een andere baan om uit dat systeem te kunnen stappen. Zij kiezen een werksituatie waarin niet zozeer het systeem, maar de menselijke maat leidend is met voldoende ruimte om te investeren in de relatie.

Mogelijk kan gelijkwaardigheid, zonder verticale verhoudingen, afstand nemen van bestaande hiërarchie binnen een team leiden tot nieuwe inzichten waardoor ruimte is om pijnlijke ontwikkelingen en blinde vlekken openlijk te bespreken, zodat in de besluitvorming gezocht kan worden naar consensus.

Ik denk dat we met nieuwe inzichten over medicijnen de laatste jaren ook steeds helderder hebben gekregen wat de reikwijdte is van psychofarmaca. Wij kiezen eerder voor een andere leefstijl, een andere manier van denken. We leren weer meer onze eigen kracht in te zetten. Het gebruik van psychofarmaca kan daar een afbakende rol in spelen. Hulpverleners zouden mensen meer kunnen informeren, motiveren, faciliteren om hun leefstijl te veranderen. En wat betreft het psychisch lijden zouden wij onze cliënten in de GGZ handvatten kunnen bieden hun eigen lijden te verlichten. We kunnen hun tools aanreiken om anders met hun angsten, teleurstellingen, schaamte en schuldgevoelens, hun lichamelijke- en of psychische kwetsbaarheden om te leren gaan. We zouden hen kunnen leren om iets aan de oorzaak te doen, de bron van het lijden te bespreken (traumaverwerking) en ruimte bieden om onverwerkte emoties door trauma’s, welke soms liever vermeden worden, alsnog te leren verwerken.

 

Mijn bevindingen

Voor de laatste eeuwwisseling werkte ik een aantal jaren op een psychiatrische afdeling. Ik zag veel cliënten die antidepressiva voorgeschreven kregen. Doordat ik deze cliënten vaak dagelijks zag en sprak, merkte ik dat de antidepressiva niet zo effectief waren als in de cliëntenfolders verkondigd. Daarin stonden percentages van 40-60% herstel in vermeld. Ik zag te veel mensen die niet opknapten. Soms verhoogde men de dosis van de medicatie, vaak zonder resultaat of kregen cliënten een ander middel voorgeschreven om uit te proberen. Mensen die lang antidepressiva gebruikten hadden flink afgevlakte emoties. Hetzelfde zie je bij mensen die dagelijks cannabis gebruik en deze jongeren vaak in hun emotionele ontwikkeling stil blijven staan. Uiteindelijk gaat er om dat ieder met zijn emoties leert dealen. Dat leer je niet door elke dag je emoties af te vlakken. Ook mensen die langdurig psychofarmaca hebben gebruikt kunnen er uiteindelijk voor kiezen beter met hun emoties om te leren gaan.

Rond de eeuwwisseling had het Trimbos instituut onderzoek gedaan naar de effectiviteit van antidepressiva zonder sponsoring door farmaceutische bedrijven. Dit was bij veel andere onderzoeken wel het geval. De effectiviteit van de antidepressiva bleek in dat onderzoek nihil te zijn. Alleen bij ernstige depressies kon het effect hebben. Toen ik dit op de afdeling waar ik werkte besprak, werd hier door twee, drie psychiaters fel afkeurend op gereageerd. Achteraf bleek dat gewoon de cultuur.

Gedurende de jaren erna werd, zonder uitleg hoe het middel werkte, dit antidepressivum ook voor andere vormen van psychisch lijden (pijnklachten, dwangklachten) voorgeschreven. Psychiaters beargumenteerden deze stap, door te wijzen op de ervaring die zij er mee hadden en dat dit hielp.

Het argument dat een depressie ontstaat door een te laag serotoninegehalte bleek een broodje-aapverhaal. Na 3 decennia onderzoek is dit nog niet aangetoond. Ik denk dat het bedacht is door de farmaceutische industrie en hulpverleners zijn dat gaan geloven. Het lijkt, omdat steeds meer artsen beseffen dat de stof in een antidepressivum niet veel doet, het placebo-effect een belangrijkere rol heeft gekregen bij het voorschrijven. Het moet toch niet gekker worden. Welke specialist bedenkt zo iets? Omdat de stof onvoldoende lijkt te werken, moeten we het placebo-effect maar promoten. Artsen die voorschrijven zijn allemaal hoger opgeleid dan ik, waarom doen zij dit dan toch?

 

Bijwerkingen

Enkele decennia terug werd er door de voorschrijvend behandelaar nauwelijks tijd besteed aan mogelijke bijwerkingen van medicatie. Ondanks dat bijsluiters in die tijd al verplicht waren, werd door de artsen aan cliënten geadviseerd deze niét te lezen. Dat zou de kans op het krijgen van bijwerkingen alleen maar verhogen, was het idee. Een dergelijk advies vonden wij toen heel gewoon. Achteraf kan je dat gedrag van hulpverleners als paternalistisch omschrijven. Cliënten werden veelal niet voorbereid op het optreden van bijwerkingen. Dat is een klacht van cliënten wat ik terug hoor, die in die tijd medicatie voorgeschreven kregen.

In 2001 kwam ik er zelf achter dat, als mensen stopten met antidepressiva, zij hevige onttrekkingsverschijnselen konden krijgen. In die tijd werden deze klachten uitgelegd als het terugkeren van de oorspronkelijke klachten en toen was het advies om weer met antidepressiva te beginnen.

In de praktijk blijkt dat bijwerkingen zeer heftig kunnen zijn, vaak lang duren en schadelijke gevolgen hebben.

Gelukkig is er nu literatuur te vinden, waar de rol van de farmaceutische industrie, de onderzoeken haarfijn worden uitgelegd. Boeken als: Dodelijke psychiatrie”, van Peter Gotzsche, “ Het pillenprobleem”, van Dick Bijl, “Studeren wij medicijnen of geneeskunde?”, van Lieneke van de Griendt. En gelukkig hebben we nu de ervaringsverhalen op PsychoseNet en het ervaringsverhaal van Ewout Kattouw met: “Wie is er nou eigenlijk gek?” Mensen moeten deze boeken en ervaringen wel willen lezen. Als inzichten niet veranderen, blijven we doen wat we deden.

 

Hoe verder?

Ik hecht er waarde aan om mijn cliënten adequaat te informeren. Ik heb in samenspraak met drie cliënten en een collega (psychiater) van BuurtzorgT een cliëntenfolder ontwikkeld, het is een soort van coproductie geworden. Dat stuk heb ik door 3 andere psychiaters, van wie 2 hoogleraar, laten lezen. In een gepolariseerde (gekke) wereld moet je jezelf altijd een beetje beschermen, wil je niet voor ‘gek’ verklaard worden of buitengesloten worden.

 

Wat werkt voor jou, is maatwerk. 

Eén op de vier mensen lijdt aan een psychische stoornis.

1,2 miljoen mensen in Nederland gebruiken antidepressiva. Huisartsen schrijven 85 procent daarvan voor wordt voorgeschreven door de huisarts. Dat is inclusief de herhaalrecepten.

Een antidepressivum kan bij een ernstige depressie de scherpe kantjes eraf halen en daarmee voor een vermindering van klachten zorgen. Dat kan in het begin van een behandeling, als er sprake is van een ernstige depressie, soms nuttig zijn. Het duurzame effect is niet goed meetbaar. Helpt het 

antidepressivum of zijn er andere factoren die voor verbetering zorgen? Die vraag is niet altijd duidelijk te beantwoorden. De effectiviteit van het middel en de bijwerkingen zijn vaak niet goed voorspelbaar.  

Bij een ernstige depressie wordt de effectiviteit van een antidepressivum geschat op 50-60%. Daarbij is de schatting tegenwoordig dat het placebo-effect groter is dan de invloed van de stof op de hersenen. Bij lichte en matige depressies is het effect nihil. Omdat het geen onschuldige middelen zijn, wordt het gebruik van antidepressiva bij deze gemoedstoestanden, ontraden. Het advies is om bij voorkeur niet in het eerste gesprek antidepressiva voor te schrijven.

In het verleden hebben cliënten vaak antidepressiva geslikt, zonder dat er sprake van behandeling was, of men met hun achterliggende problemen aan de slag ging. Dat is spijtig. Er is nu een nieuwe richtlijn waarbij het advies is dat als je bij een depressie antidepressiva slikt, je ook al aan de slag bent met jezelf, je jezelf traint om anders met je emoties om te gaan, of een behandeling aangaat en waarbij je je levensproblemen aan gaat pakken. Een nadeel van het gebruik van antidepressiva is dat mensen een afwachtende houding kunnen aannemen en dan onvoldoende aanstalten maken om met emoties te leren dealen.

Omdat antidepressiva de scherpe kantjes van angstklachten af kunnen helpen, kan dit middel soms ook bij dit soort klachten worden voorgeschreven. 

Er zijn middelen zoals Paroxetine en Venlafaxine, die ernstige ontrekkingsverschijnselen kunnen veroorzaken als iemand ermee wil stoppen. Het voorschrijven van deze middelen wordt daarom afgeraden. Bij het starten met een antidepressivum hoort ook altijd een gesprek over wanneer en hoe men ermee kan stoppen. 

En sowieso dient er ook altijd gekeken te worden naar andere behandelmethodieken die effectiever en duurzamer kunnen zijn. Daarnaast kunnen gewone tips als regelmatig wandelen in de natuur, een gezond leef en eetpatroon, een goede dag-nachtstructuur, matigen of stoppen met alcohol- en/of drugsgebruik ook helpend zijn.

Kortom, antidepressiva gebruiken als symptoombestrijding kan een keuze zijn, en is soms nodig om die scherpe randjes er af te halen, maar blijkt voor de meeste mensen niet duurzaam.

Het structureel onderdrukken van emoties is nooit de oplossing. Wie stopt met deze middelen en tussentijds niet goed geleerd heeft zijn emoties te reguleren, kunnen de klachten weer terugkomen.

Het middel is vergelijkbaar met een pijnstiller waarmee wij pijn slechts onderdrukken. Omdat je hiermee niets aan de oorzaak doet, is het een pleister op een open wond die blijft pussen. Als je een depressie hebt, is het belangrijk om ook naar de oorzaken te kijken die de balans tussen draagkracht en draaglast uit evenwicht heeft gebracht. Door alleen medicijnen voor te schrijven, gebeurt dit niet. 

 

Volgens nieuwere inzichten ligt de oorzaak vaak in wat er in iemands leven gebeurd is, kort of lang geleden. Het kan gaan om psychosociale spanningen, stress op het werk, in de relatie, in het gezin, financiële problemen, woonproblemen en/of diepliggende problemen zoals traumatische ervaringen of emotionele verwaarlozing als kind. De oorzaak van een depressie is een complexe samenstelling van factoren en is zeker niet alleen maar het gevolg van een ‘stofje’ in de hersenen dat ontbreekt en aangevuld moet worden. Hier is immers geen wetenschappelijk bewijs voor gevonden. Het is belangrijk in de behandeling aandacht te hebben voor al die verschillende factoren en te onderzoeken wat iemand weer weerbaar kan maken, zodat iemand weer de regie kan pakken over zijn leven. Het behandelen van een depressie bestaat in eerste instantie uit praten en kan aangevuld worden met pillen.

 

Elk medicijn kan bijwerkingen hebben. Bij antidepressiva is dat niet anders. Mensen kunnen in de eerste weken bijwerkingen ervaren, maar ook in de jaren daarna. We weten van tevoren niet wie welke bijwerkingen gaat ervaren. De kans op bijwerkingen ligt tussen de 40-60%. Daarnaast dempen deze middelen niet alleen de negatieve, maar ook de positieve emoties.

Afhankelijk van welk middel je gebruikt zijn de bijwerkingen deels voorspelbaar op basis van de specifieke werking van het middel. Hiervoor kun je kijken op PsychoseNet, bij de antidepressiva vergelijkingstool.

https://www.psychosenet.nl/tool/antidepressiva-keuzetool/

Wie toch met een antidepressivum wil beginnen kan deze keuzetool gebruiken. Hiermee kun je je goed voorbereiden op het gesprek over antidepressiva en jouw voorkeur met je behandelend psychiater bespreken.

Ook het afbouwen van medicatie vraagt aandacht. Vanwege mogelijke ontrekkingsverschijnselen vraagt ook dit om een zorgvuldig proces. Je kan hierbij denken aan het gebruik van taperingstrips. Ook dit is maatwerk. Ook hier kun je van alles over lezen op PsychoseNet.

---

 

Over de schrijver:

Peter Oud, is coördinerend behandelaar, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, op de Stemmenpoli Alkmaar. Tevens is hij werkzaam bij BuurtzorgT.

Hij heeft circa 35 jaar ervaring als hulpverlener binnen de GGZ (diverse klinisch afdelingen, ambulant in de verslavingszorg, reclassering, bemoeizorg, crisisdienst, ouderenpsychiatrie, in huisartsenpraktijk als POH-ggz, Fact team persoonlijkheidsproblemen).

Hij is sinds 2012 actief als hulpverlener in de “Maastrichtse benadering”, om mensen te leren om te gaan met stemmen, meer geïnvolveerd in de herstel ondersteunende benadering, faciliteerde de eerste stemmenhoordersgroepen binnen de GGZ en is in de Stemmenhoordersbeweging actief geweest als secretaris, bestuurslid van Stichting Weerklank, projectleider van het 4-daags 10e Wereldcongres Stemmen Horen in Den Haag (okt 2018) en sinds maart 2019 voorzitter van Stichting Weerklank. Sinds 2014 verzorgt hij voor hulpverleners in de GGZ en stemmenhoorders de training ‘Stemmen horen begrijpelijk maken’ en workshops voor bestaande teams. Verzorgt ook gastlessen bij de Toed (opleiding tot ervaringsdeskundige) en heeft in 2023 bijgedragen aan de ontwikkeling van de gratis Elearning “Stemmen horen begrijpelijk maken”, bij GGZ Ecademy.